Vrienden

Uit de verte zag ik ze vaak al zitten. Twee wat oudere heren, keurig gekleed. Van die mannen die niet zouden misstaan op de golfbaan en die dat zeker samen in het verleden veelvuldig hebben gedaan. De ene man is op bezoek bij de andere, die zich voortbeweegt in een scootmobiel. Beiden hebben een prachtige bruine kleur, die fantastisch combineert met het licht roze overhemd met de sportieve blauwe sweater die geraffineerd nonchalant over de schouders is geslagen. Twee mannen die zich geen vrienden noemen maar vrinden of beter mijn compagnon cq vrind.
Elke vrijdag wanneer ik met mijn moeder, die overigens haar flair in de loop der jaren is kwijtgeraakt door haar verstandelijke en lichamelijke achter uitgang, weer voor een wekelijkse kop koffie met gevulde koek of een lekker ijsje naar het restaurant wandel, loop ik of langs hen of nemen we plaats aan een tafeltje in buurt van die twee.
Het is dan tussen elf en half 12 ‘s morgens, maar op de tafel van deze heren prijken steevast 2 grote glazen met witte wijn, waar bij mij alleen al door het zien, het water in de mond loopt.
Geregeld sprak ik ze even aan en zei dat zij de Gooische mannen eer aan doen. Met een vriendelijk saluti, vervolgden ze dan hun gesprek en helpt de ene vrind de ander om een slok wijn te nemen. Ademloos probeerde ik zo onopvallend mogelijk deze mannen te observeren. En elke keer stroomde een soort blijdschap door mij heen, ondanks het verdriet dat ik achter dit plaatje heus wel zag, maar uit deze handeling sprak zoveel respect en intimiteit, die m.i. hoort bij jarenlange vriendschap. Eh sorry, vrindschap. Waarbij eventuele schaamte totaal niet Im frage was.
Prachtig en een genot om dit enigszins verholen gade te slaan.
Dit is waar het leven volgens mij om gaat, zelfs in zware tijden toch het glas te heffen en te proosten op wat wel is.
En zo liep ik ook deze vrijdag weer met moeders naar het restaurant voor ons wekelijkse kopje koffie en zie uit de verte al aan de grote leestafel de twee vrinden zitten, tegenover hen zit de kleine man, die ik inmiddels ook al jaren iedere week gedag zeg, wanneer hij samen met zijn vrouw ook aan de koffie zit.
Het verbaasde me al dat ik de heren op deze plek zag zitten, aangezien ze meestal aan een kleinere tafel zaten, maar wat ik vooral uit de verte miste waren de twee glazen witte wijn, die niet tussen hen in stonden.
Natuurlijk kon ik in het voorbijgaan het niet laten om hierover een opmerking te maken.
De ene vrind draait zich om en verteld dat hij dit altijd deed met zijn compagnon c.q. vrind, maar dat deze vier weken geleden is overleden.
Ik kijk nog eens goed naar de man naast hem in de scootmobiel en zie inderdaad dat het niet de man is die ik voor ogen had. Me direct ook realiserend dat ik ze al enige tijd niet had opgemerkt.
De vrind vertelt dat hij nu toch is gekomen, om deze twee mannen te bezoeken, die hij samen met zijn vrind ook vaak sprak wanneer hij hem bezocht.
Ik condoleer hem, en vertel hem dat ik altijd zo blij werd wanneer ik hem zag zitten samen met zijn vrind genietend van hun glas wijn.
Dat dit voor mij vriendschap symboliseert.
Terwijl ik weer doorloop met mijn moeder richting restaurant, lijkt het of zij in mijn oor fluistert. Wanneer ik voor de balie sta, bestel ik naast twee koffie met gevulde koeken ook 3 grote glazen witte wijn. Ik zet het blad met de 3 glazen tussen de 3 mannen in op tafel met de woorden: ’ Dat een goede traditie moet worden voortgezet. Een proost op uw vrind een proost op nieuwe vrindschap, maar vooral een proost op het leven’.

Dag moederDag

Terwijl ik me over haar heen buig drukt mijn mond een dikke kus op haar linker wang, en fluister ik heel zachtjes in die wang: ‘Dag moederDag’.
Of het een reflex is weet ik niet, maar ze buigt naar voren, waardoor ze nog dieper in mijn arm duikt. Weer fluister ik de woorden: ’ Dag moederDag’ en als vanzelf volgt: Wanneer ga jij naar het licht?’
Het is vandaag Moederdag 2012 en hoewel ik deze dag meer een uitvinding van de commercie vindt, was ik toch geroerd door het zelfgemaakte ontbijt op bed van onze zoons.
En omdat ik mijn vaste vrijdag niet in staat was om te gaan, dacht ik, ik ga vandaag haar tussen de middag eten geven. Een soort Moederdag lunch.
Ik kijk op uit mijn omhelzing met haar en ontmoet de lieve ogen van de huiskamerverpleger. ‘Dit zal je nog missen, wanneer ze er niet meer zal zijn’ , zegt hij.
Verbaasd ga ik recht op zitten, en valt zij zachtjes weer terug in de leuning van haar enorme rolstoel.
‘Nee’, zeg ik tegen hem, ’ nee, dat ga ik absoluut niet missen, als ze dood is’. Ik zie zijn verschrikte gezicht. Hoewel deze gevoelens niet in woorden zijn te vatten, probeer ik het toch.
De afgelopen dagen, om precies te zijn, sinds vrijdagochtend dat ik hoorde dat de moeder van een vriendin, die 2 maanden geleden nog volop in het leven stond, genietend van man, kinderen en kleinkinderen, door acute leukemie veel te snel afscheid van het leven heeft moeten nemen, schiet ik om de haverklap vol.
Die moeder, die ik niet eens goed ken, werd een soort trigger, Hoewel dit voor mijn vriendin en haar naasten niet te bevatten snel ging en te verschrikkelijk voor woorden is, overviel mij een soort jaloersheidsgevoel, gemengd met verbijstering naar het fenomeen wat we leven noemen. Dit gevoel, wat m.i. totaal niet passend is bij het horen van dit bericht, maar wat ik toch, in al mijn eerlijkheid in al zijn volheid voelde.
Om precies te zijn, zit de gekromde vrouw in die enorme rolstoel naast me, die reflexmatig haar mond open doet, wanneer een lepel eten in de buurt komt en die totaal geen overeenkomst meer heeft met moeder die ik mij herinner, over 2 dagen 11 jaar op de gesloten afdeling in het verpleeghuis. Elf jaar!
Een andere vriendin van mij, die net belde toen ik weer volschoot in deze afgelopen dagen verwoorde het zo goed: Jij en je zussen zitten al elf jaar in een afscheidsproces, dat is ook eigenlijk niet te doen’.
Wat voelde ik me gezien, toen ze dat zei. Want inderdaad in die afgelopen elf jaar heb ik stukje bij beetje afscheid genomen van een persoon die ik zo goed kende en zoveel van hield, en kijk ik nu naar een persoon naast me, die in de verste verte niet meer lijkt op degene die ik mij zo graag had willen herinneren.
En hoe hard het misschien ook klinkt, zou ik haar met al de liefde die ik ooit voor haar voelde, direct willen inruilen, voor bijvoorbeeld de net overleden moeder van die vriendin.
Wat!
Ik zou haar direct willen geven aan magere Hein, zonder dat ik er iets voor terug hoef.

En dan heb ik net als mijn moeder geen antwoord op de vraag, die zij in het verleden zich geregeld hardop afvroeg, wanneer het leven ook haar waarschijnlijk zo verbijsterde.
‘Wat is het leven, ons gegeven?’

Slokop

Tsja wat zal ik doen. Morgen wil ik graag nog een dagje zeilen, nu het weer het nog toe laat. Het is al begin november, maar nog steeds durven we het aan mijn nieuwe zeilmaatje en ik. Met een warm zeilpak en een dikke zeiljas, willen we morgen toch nog even gaan. En ik weet nu al wat we tegen elkaar gaan zeggen, terwijl we met een warme kop koffie in de ene hand, de lijnen in de andere, een klein zonnetje uit het wolkendek , elkaar met stralende ogen aankijken.

‘Zouden we niet gaan’

Ja laat ik dan toch nu maar even gaan.

Voordat ik ook maar in de buurt van de deur kan komen, zie ik vanuit mijn ooghoeken een zwarte schim langs mij heen gaan en staat de dwergteckel al met vragende kop omhoog te kijken of wij dan nu eindelijk eens gaan.

 Ik zou het eens in mijn hoofd halen om zonder hem een bezoekje aan het verpleeghuis te brengen.

Dus teckel in de auto en op weg.

Als ik snel rijd dan red ik het nog net om aan te schuiven aan de lunch, die daar bestaat uit een warme maaltijd.

De schuifdeur van de zij-ingang van het verpleeghuis opent zich vandaag ook voor de dwergteckel en hij staat al trouw te wachten voor de deur van de gesloten afdeling.

In het zijraampje naast de deur zie ik een gestalte staan. Een hand omhoog als groet en met de andere wordt flink aan de deurkruk geduwd en getrokken.

Ik trek voorzichtig de deur naar me toe, maar wordt bijna omver gedrukt. ‘Eindelijk’ hoor ik luidkeels. ‘Ik sta hier al tijden, ik moet opschieten want straks is mijn bus weg!’

Poeh dat is lang geleden, opeens krijg ik een soort dejavu.

Wat stond zij daar ook geregeld, samen met haar grote kleine vriendin.

Ik hoor weer haar woorden als een echo in mijn hoofd.

‘Kind blij dat je er bent, een geschenk uit de hemel’.

Terwijl ik de opkomende brok in mijn keel wegslik, grijp ik de arm van de mevrouw en weet hem zo te draaien dat we gezamenlijk de gang weer oplopen op weg naar wat ik haar vertel de goede weg naar de bus.

Met een grapje dat ze bijna naar de verkeerde bushalte was gelopen, nemen we afscheid en loopt ze blij en goedgemutst, al zwaaiend de gang verder in op weg naar de linker hoek, waar zij naar ik inmiddels uit ervaring weet, allang vergeten is waar ze naar op weg was.

En al blijft het in mijn geweten voelen als mensen voor de gek houden, weet ik dat ik nu haar even een fijn gevoel geef en een blijk van een soort medeleven, en zorgt haar opgeluchte en vastberadene tred dat ook ik mij met een glimlach om de mond richting de huiskamer begeef.

Ik loop letterlijk tegen een van mijn favoriete bewoonsters aan, die al trippelend in haar rolstoel de hoek om komt. Haar verdrietige gezicht klaart op en na een hartelijk ‘goedemiddag’ is de vraag die er direct op volgt ‘ Heb je een sigaretje?’

Als ik te kennen geef niet te roken en dus ook geen sigaretten op zak heb, vertrekt haar gezicht weer in een droef achtige grijns, waardoor ik bijna naar een winkel zou lopen, om een pakje voor haar te halen.

Maar achter in de huiskamer hoor ik een verzorgende al antwoorden, dat ze eerst even gaan eten en dat ze daarna zeker kan rekenen op een sigaretje.

Haar gezicht klaart weer even op en ze trippelt snel naar ‘haar plek’; aan de tafel links in het midden, waar mijn andere favoriet ook al zit. Mijn moeders moeder die inmiddels ook niet meer weet dat ze dacht mijn moeders moeder te zijn.

Maar ik blijf haar in gedachten wel zo noemen. Inmiddels ben ik verknocht aan haar geworden, en voelt ze als familie voor me.

Een hartelijke begroeting ook daar en een dikke zoen, waarbij ze me uitnodigt snel in Ankeveen bij haar te komen. Wat ik natuurlijk ga doen, al weet ik als enige van ons tweeën dat dit nooit zal gebeuren. But who cares.

Mijn moeder zit aan de tafel helemaal aan de andere kant van de huiskamer.

Ze zit er met een kapperscoupe en de ogen geopend al voor een bord gepureerd voedsel, wat eens bloemkool met een gehaktbal geweest moet zijn.

Ik pak een kruk en na een dikke kus op haar wang, zet ik me naast haar om de lepel te pakken en haar voeren. Ze kijkt me met schuin geopende ogen aan, een borrelde lach klinkt uit haar borst en haar mond gaat al open.

Voor haar bord staat een groot glas multivitamine sap.

De lekkere kleur oranje doet me watertanden en na dat ik haar een grote hap heb gegeven en klaar zit met het grote glas sap om haar een slok te geven, kan ik me niet meer bedwingen en watertandend neem ik een enorme teug uit het glas. Zo’n teug, waarbij je bijna het hele glas naar binnen zou kunnen werken, maar waarbij je dan nog net op tijd bedenkt dat dit niet erg netjes is.

Nou zo’n teug nam ik. En terwijl ik de vloeistof heerlijk door mijn mond voel spoelen, en mijn smaakpupillen net bezig zijn om de verrukkelige smaak naar mijn bewustzijn over te brengen, hoor ik een enorme gil, met daar achteraan de verschrikkelijke woorden: ‘Maar daar zitten haar medicijnen in!’

En terwijl mijn bewustzijn zich wel wil losmaken van de komende smaaksensatie, was de slikreflex al in gang gezet, die door de plotselinge gil werd versneld. Mijn vertraagde bewustzijn begrijpt nu de woorden die werden gegild, maar het is al te laat.

De enorme teug sap is al mijn keel in gegaan richting maag, geen weg terug dus.

Zelfs mijn moeder opent even haar ogen, maar dit is ook meer reflexmatig.

De bewoners om haar heen blijven gewoon lekker doorkauwen, zonder besef van wat er net werd gezegd.

Oké ik heb dus net de medicijnen van mijn moeder naar binnen gewerkt.

Even voel ik een lichte paniek zich van mijn meester maken, aangezien ik hartmedicatie slik, waarbij altijd erg de nadruk wordt gelegd, deze niet met andere medicatie te nemen.

Maar zoals altijd bij spannende situaties, voel ik de lach alweer opborrelen,

Ik maak een gespreid arm gebaar naar de verzorgende die gilde, waarmee ik haar duidelijk wil maken dat het leed al geschiet is en de slok doorgeslikt.

Nu weet ik dat mijn moeder in het verleden Haldol slikte en dat lijkt me niet echt fijn, aangezien dit met andere medicijnen nog wel eens een gekke reactie op je psyche zou kunnen hebben en iets met je bloeddruk doet.

De verzorgende kon in ieder geval bevestigen dat mijn moeder geen Hadol meer gebruikte en dat het waarschijnlijk om een kinderasprientje zou gaan en een slaapmiddel.

Godzijdank want dat dutje was ik toch al van plan om te gaan doen!

 

 

 

Moorddiner

Afgelopen zaterdag hadden we met een 6tal stellen, georganiseerd door een ouderstel van de school van onze jongste, het MOORDDINER.

Onder het genot van een verrukkelijke 4 gangendiner bereid door Stephanie Sloofje,(gastvrouw Monique), de dienstmeid van de vermoorde baron van Wieshoofd konden wij proberen om de moord op te lossen.

Een week van the voren wisten we welke personage we waren en welke relatie je tot de baron had en of dat jij de moordenaars was.

Ikzelf was de personage Truus Canvas (48 jaar) en schildersvriendin van de baron. Hij kwam ieder zaterdag naar mijn schilderscursus, maar niet dus de bewuste avond. Ik had geen alarm geslagen en voelde mij daar zeer schuldig over. Ook de kandelaar waarmee hij was vermoord had ik net twee weken geleden aan hem kado gedaan.

Truus is een leuke, artistieke, zorgzame vrouw, die het niet zo goed met de oudste zoon en de jongste dochter van de baron kan vinden. Zij kijken nogal op haar neer, door haar middenklasse achtergrond. Met Claudia de andere dochter kan ze het wel vinden, zij regelt ook haar tentoonstellingen.

Je begrijpt een rol op mijn lijf geschreven!!!

Tijd vliegt.

En voordat je het weet zitten we er weer en vieren we haar verjaardag voor de tiende keer in het verpleeghuis.

Om precies te zijn doen we dat over 2 dagen.

Dan is het weer 5 november.

Een datum die zij nog jaren in haar dementie wist te reproduceren.

‘Mam wanneer ben je jarig?’ 

Alsof ze op een knop drukte bij een tv-kwis kwam 5 november uit haar mond geschoten.

‘plingggg’ 

‘Dat is goed beantwoord’, toch door naar de volgende ronde. Maar welke vraag ik ook verzon voor die tweede ronde, bijvoorbeeld, welk geboorte jaar, of hoe oud word je dan? Bleven met een niets zeggende uitdrukking op haar gezicht, zwijgend in de lucht hangen.

Maar toch gaan we met zussen, zwagers, tantes, en misschien nog wat kleinkinderen weer naar het verpleeghuis , om samen met haar een taartje te nuttigen en haar 83 ste levensjaar in te luiden met een groot glas advocaat met slagroom.

 

[Flash 10 is required to watch video]

Amen

Vandaag ga ik weer eens om half 1 mijn moeder eten geven.

De kinderen blijven over dus ik heb er de tijd voor.

Wanneer ik binnenkom zie ik de huiskamer verzoirgende F. met een blos op haar wangen driftig in de weer met de slabben. Van verre hoor ik het getingel van het karretje met de pannen met het warme eten. De meeste bewoners zitten al op hun vaste plek aan tafel. Ik kijk in de rondte maar kan mijn moeder niet ontdekken.

Voordat ik kan vragen waar mijn moeder is en waar haar rode blos vandaan komt, vertelt  F. mij dat dit weer zo’n dag is waarop er te weinig personeel is door plotselinge ziekte.

Ze had al meegeholpen om bewoners uit bed te helpen, terwijl dit eigenlijk niet tot haar takenpakket behoort, maar mijn moeder lag nog op bed en ze wist niet wanneer zij eruit gehaald zou worden.

Een dag met een gaatje dus, zoals ze zo mooi omschrijft.

Gelukkig komt er net een stagiaire aan, die meehelpt de borden te vullen. Vandaag staat er op het menu bloemkool met kabeljauw of bami.

We spreken af dat ik moeders haar middag eten op bed zal voeren.

In een rap tempo wordt er een bord opgeschept met gepureerde bloemkool en kabeljauw, met de woorden: ‘Hier lekker vis, daar houdt ze zo van!’

Met het bord wat naar voren, aangezien ik zelf niet van de lucht van vis houdt, loop ik naar mijn moeders kamer, die een paar deuren verder de gang op is.

Ik duw de deur met een zwaai open en gil ‘roomservice voor mevrouw Henny Rebel-Boerhout.’

In stop in mijn vaart, waarbij bijna het gepureerde voedsel van het bord afklotst, omdat ik twee keurig opgemaakte bedden zie en geen klein oud mensje in een foetushouding.

Het gekke is dat er in een split-second toch een onaangenaam gevoel opkomt en verwarring van zat ze nou toch echt niet gewoon in de huiskamer.

Ik loop snel terug en bedenk me opeens dat het donderdag is en dat ze waarschijnlijk gewoon bij de kapper zit, zoals iedere donderdag.

Ook F. is in verwarring en kan er maar niet over uit dat ze niet lang geleden toch nog echt in haar bed lag. Ik besluit dan maar om even te wachten of ze nog opkomt dagen en ontferm me ondertussen over een meneer, die ook niet zelf kan eten.

Plotseling wordt mijn moeder met een zwier de hoek om gereden door de rolstoelduw meneer, een vrijwilliger die in ieder geval op de donderdag de bewoners naar de kapper heen en weer brengt. Hoe hij het voor elkaar krijgt weet ik niet, maar hij weet mijn moeder altijd met een zwier zo neer te zetten bij de tafel, dat zij een soort sierlijkheid in haar rolstoel krijgt. Dit heeft ook, denk ik, te maken met haar prachtig gekapte coupe, maar ze trekt dan ook zo’n hautain gezicht, die precies past bij die zwier. Trouwens ook bij die coupe.

Dat gezicht past vervolgens helemaal niet bij de enorme slab die ik bij haar om doe, maar die onontbeerlijk is.

Maar goed, ze zit aan mijn tafel en ik begin haar de vis met bloemkool te voeren, die zij inderdaad smakelijk naar binnen werkt.

Aan haar tafel zit Maria, die onderuit gezakt probeert zelf te eten, wat lukt, al is het met grote moeite.

Maria een heerlijke vrouw, die vaak zo droog en grappig uit de hoek kan komen, terwijl ze dat zelf niet door heeft.

Terwijl ik al babbelend aan het voeren ben, staat de enige verzorgende, c.q. zuster zoals ze door de bewoners wordt genoemd, achter haar verrijdbare karretje de pillen te sorteren en uit te delen.

Een werkje waar je je volle aandacht bij moet houden, aangezien je geen fouten mag maken. Het zou toch wat zijn, wanneer de pillen worden verwisseld of het dubbele wordt toegediend.

Enfin, zij staat kalm achter haar karretje de pillen te sorteren, terwijl er achter mij een meneer aan de grote tafel in het midden zit, die plotseling zijn bord aan de kant schuift, om zich heen kijkt en op gebiedende toon  aangeeft dat hij nu direct naar het toilet moet. De zuster geeft aan dat ze haar pillenwerkje eerst even af moet maken en hem dan zal helpen. Meneer knikt, trekt zijn bord weer naar zich toe en gaat verder met eten. Maar na een paar happen went hij zich vervolgens naar F en mij of wij hem niet kunnen helpen. F legt uit dat wij dat niet mogen, dat dit de taak van de zuster is, en dat alleen zij mag helpen bij het brengen naar het toilet. Maar meneer hoort het al niet meer en begint op jammerende toon de volgende zin continue te herhalen:

‘Madamme s’ll vous plaîd, helpt u me samen met de zuster, helpt u me toch samen met de zuster”.

Daar zit ik dan, mijn moeder die zwijgend haar mond wijd open doet, wanneer ik met mijn lepel in de buurt kom, de andere bewoners die rustig door eten , wel af en toe een geïrriteerde blik trekkend, de zuster die in haar eentje de zorg voor zoveel bewoners heeft en dus prioriteiten moet stellen en rustig de pillen blijft uitdelen.

En op de achtergrond het geluid van de repeterende zin.

De zin, die als een soort gebed door de huiskamer klinkt en waar ik in mijn hoofd steeds ‘amen’ op zeg. Amen wat letterlijk vertaald ‘zeker, het is zo’ betekend.

Plotseling hoor ik naast me Maria, die voordat zij haar lepel in haar mond steekt, en ik net hardop Amen wil zeggen op de zin: ‘Helpt u me toch samen met de zuster’, met haar harde, donkere stem zegt:

‘Zeikerd”

Vakantie 2011

En daar stonden we dan, net een kleine 2 uur aan het Lago Magiore.

Na 3 dagen Zwitserland, waarbij ons door een mede campinggaste, die zich ongevraagd opwierp als onze reisleidster, aangezien zij al 13 jaar op die camping kwam, werd afgeraden om naar het Lago te gaan. Er zou daar namelijk volgens haar echt nergens plek zijn i.v.m. vakantie van de Italianen. Maar eigenwijs als we zijn gingen we toch op zoek, en vonden we een prachtige camping, met zelfs een plek met uitzicht over het Lago.

Hoewel ik in Zwitserland nog riep dat ik niet als de Tokkies alles in die bus wilde proppen, bleekt in de praktijk toch dat de laatste zooi net voordat de schuifdeur van de bus dicht ging, ergens een plaatsje moest vinden.

Maar een kleine 4 uur later stonden we dan toch weer voor ons doen ordelijk op een volgende plek een kleine 300 km verder.

Hier zouden we een  week gaan doorbrengen om vervolgens onze laatste week weer 3 uur verder rijden in Arco af te sluiten.

Onder de tarp stond ons keukentje en daar was ik net ons avondcamping eten in elkaar aan het flansen, toen ik een rare klap hoorde in onze tent die aan ons busje vaststaat.

De jongste D zat in de bus nog even op de ipod en As haalde de bak met kruiden die ik nodig had uit een kastje aldaar.

Ik vroeg of het ging, maar ik hoorde alleen een heel rustige stem van As die zei

“Nou eigenlijk niet”.

De alarmbellen begonnen direct overal te klingelen, want dit is een zin, die normaliter niet uit haar mond zou konen.

Het geklingel gebeurde ook bij de oudste B die bij mij buiten zat, waardoor wij binnen no time in de tent stonden.

En daar stond ze, half in de opening van de bus, met haar vingers gedrukt op haar scheenbeen. Het bloed sijpelde door haar vingers en de hele trap van de bus zat al onder het bloed. Achter haar zag ik D zitten met een wit weggetrokken gezicht, met open mond van verbazing en een blik die met afgrijzen naar al het bloed keek.

Ook As begon wit weg te trekken en ik dacht: ‘Als ze maar niet flauwvalt’

Het enige  wat ik uit mijn eigen mond hoorde komen was: ‘Ooo oke?’, met daar achteraan ‘En nu?’

Het bloed stelpen is het eerste wat moet gebeuren, zei mijn opeens toch ontwaakte bewustzijn. Voorhanden was wc papier, want de plek van de verbanddoos die natuurlijk ergens in de bus moest liggen, wilde niet in mijn herinnering naar boven komen. Heel rustig gaf ik een dot wc papier aan, die zij op de wond drukte.

‘Oké, en wat nu’ . Zitten, ja je moet zitten, zeg ik terwijl ik de porti porti aanwijs en As uitnodig om daarop te gaan zitten.

Ook bij haar zie ik, de bewegingen en hoor ik de spraak in slow motion gaan.

Rustig blijven, dat is wat nu moet, voor onszelf, maar vooral ook voor de kinderen.

Ik kijk rond en bedenk dat we het nu niet redden om zelf snel naar een ziekenhuis te rijden, aangezien de bus gekoppeld zit aan de tent, het dak omhoog staat de stoelen gekeerd, dus wat nu?

Heel rustig vraagt As om een flesje water aan B.  Daarna zegt ze tegen mij, nadat zij mijn blik had gevolgd en blijkbaar tot dezelfde conclusie was gekomen wat betreft de bus, dat ik moest kijken of er buren waren die ons naar een ziekenhuis konden rijden.

En dat ben ik dan ook braaf gaan doen. Gek is dat ik blijkbaar zelfs in die kleine twee uur dat ik daar nieuw was op die camping, toch onbewust gescand hebt, welke type mensen om me heen stonden.

Automatisch liep ik in eerste instantie naar de tent die vlak naast ons stond, van een jong stelletje begin twintig, die voor het eerst met elkaar op vakantie waren, waarbij bij het opzetten van hun tent mij al duidelijk werd dat zij vaker had gekampeerd dan hij.  

Terwijl ik al aan hun tent stond, het was inmiddels echt gaan regenen, dus ze zaten niet meer buiten, bedacht ik me dat in deze situatie deze mensen niet de aangewezen personen zijn om hulp aan te vragen. Terwijl ik om me heen kijk hoor ik in mijn herinnering mensen tegen elkaar zeggen, dat ze dit weer toch al in geen jaren meer hier gehad hadden.

Dat terloopse gesprek had ik gehoord van ergens schuin achter ons, dus daar liep ik heen en inderdaad stonden daar een groep Nederlandse mensen. Later bleken het vier gezinnen te zijn die gezellig al jaren met elkaar op vakantie gingen naar deze camping en dus precies wisten wat waar te vinden was.

Ik vroeg hen of ze me wilden helpen, omdat mijn vriendin gevallen was en zij erg bloedde en waarschijnlijk naar het ziekenhuis moest.

Binnen no time liepen er 4 mannen en 2 vrouwen mee, waaronder 1 met een enorme plastic doos. En daar stonden we dan met al die mensen in ons kleine voortentje. De doos werd geopend en binnen een paar minuten was de wond keurig verbonden en reed 1 van de mannen de auto al voor om ons naar het ziekenhuis in Angera te brengen, een stadje 5 km verderop, waar hij deze vakantie toevallig al 3 keer naar toe was gereden voor mensen uit hun groep.

B, D en de hond konden zolang wel bij de anderen blijven. Nog zo goed en zo kwaad onze mannen gerustgesteld en hen een mobiele gegeven, zodat we elkaar konden bereiken. Als je me van te voren had gevraagd om mijn kinderen na twee uur op een camping al achter te laten bij vreemden, dan had ik je voor gek verklaard, maar zo zie je maar dat nooit te zeggen is wat je in bepaalde ad hoc situaties doet.

Na anderhalf uur stonden we godzijdank weer voor de tent met een aantal hechtingen in het been, die inmiddels enorm dik en blauw was geworden.

Terwijl de schemering inzette en ik net wilde doorgaan met het maken van het avondeten, kwam als bij toverslag zwermen muggen, die ons letterlijk aanvielen en waardoor we er allemaal uit kwamen te zien als elephantmen.

Dus eerst maar weer ons als een bezetene insmeren met ant-muggenzooi en lange broeken en vesten aan.

Ik sta net weer onder mijn tarp achter het 2 pitsfornuisje, wanneer als genade klap de campingdisco begon en we tot bijna 23.00 uur mee konden genieten van allerlei vrolijke discosounds, die ik normaliter prima kan hendelen, maar NU EVEN NIET!!!

Het enige wat ik vanaf toen alleen maar wilde was net als dat programma van Gordon een aantal jaren geleden.

GILLEND NAAR HUIS……………………